The Cure - Three Imaginary Boys (08-05-1979)
Sommige debuutalbums voelen aan als een zorgvuldig uitgewerkt visitekaartje. Alles klopt, alles lijkt vooraf bedacht en de artiest weet precies welke kant hij op wil. Three Imaginary Boys, het debuut van The Cure uit 1979, is anders. Wanneer ik naar deze plaat luister, hoor ik vooral een jonge band die nog zoekende is. Niet onzeker, maar nieuwsgierig. Alsof vier jongens een muzikale gereedschapskist hebben gekregen en willen ontdekken wat er allemaal mogelijk is. Dat levert een album op dat niet perfect is, maar juist daardoor interessant blijft.
The Cure was eind jaren zeventig nog geen gevestigde naam. Robert Smith was nog ver verwijderd van het iconische uiterlijk waarmee hij later wereldberoemd zou worden. De donkere romantiek die veel mensen tegenwoordig met The Cure associëren, staat hier nog niet centraal. In plaats daarvan hoor ik een groep die beïnvloed is door punk, new wave en eenvoudige popmuziek.
Het bijzondere is dat die invloeden niet altijd netjes samensmelten. Soms klinkt de band speels, soms afstandelijk en af en toe zelfs een beetje eigenwijs. Maar juist dat maakt het album levendig. Het voelt alsof de muzikanten zelf nog niet precies weten wat hun definitieve geluid zal worden.
De opening van de plaat zet direct de toon. De nummers zijn kort, bondig en hebben weinig behoefte aan opsmuk. Dat past goed bij de tijd waarin het album verscheen. Punk had laten zien dat je geen virtuoos hoefde te zijn om goede muziek te maken. Energie, ideeën en karakter waren minstens zo belangrijk.
Een van de bekendste nummers van het album is zonder twijfel opener "10:15 Saturday Night". Het is een lied dat met relatief weinig middelen veel sfeer oproept. Volgens de overlevering ontstond het idee terwijl Robert Smith naar een druppelende kraan luisterde. Dat soort verhalen maken muziek soms menselijker. Grote inspiratiebronnen zijn mooi, maar af en toe blijkt een lekkende kraan al voldoende.
Wat me telkens opvalt aan Three Imaginary Boys is dat de plaat geen grote emoties probeert af te dwingen. De latere Cure-albums konden soms behoorlijk intens zijn. Hier blijft alles kleiner en toegankelijker. Dat betekent niet dat de muziek oppervlakkig is, maar wel dat de band nog niet voortdurend op zoek gaat naar dramatische effecten.
Nummers als "Fire in Cairo" en "Grinding Halt" laten horen hoeveel energie er in de groep zat. De gitaren klinken fris en hoekig, terwijl de ritmesectie de nummers stevig vooruit duwt. Er zit beweging in de muziek. Ik krijg niet het gevoel dat de band stilstaat, zelfs niet wanneer een compositie wat eenvoudiger is opgebouwd.
Tegelijkertijd zijn niet alle nummers even sterk. Dat is misschien ook logisch bij een debuutalbum. Sommige ideeën voelen volledig uitgewerkt aan, terwijl andere nummers meer lijken op interessante experimenten. Dat hoeft geen nadeel te zijn. Sterker nog, het geeft een beeld van een band die bereid is risico's te nemen.
Een leuke vergelijking is die met een beginnende schrijver. Het eerste boek bevat vaak nog wat ruwe randjes, maar je ziet al duidelijk talent. Zo werkt het ook bij Three Imaginary Boys. De latere meesterwerken van The Cure werpen hier hun schaduw vooruit, maar zijn nog niet volledig zichtbaar.
Het titelnummer is daar een goed voorbeeld van. Het heeft iets eigenaardigs en licht vervreemdends. Niet zo donker als het latere werk, maar wel anders dan veel muziek die destijds op de radio te horen was. Je merkt dat de band op zoek is naar een eigen identiteit.
Wat ik persoonlijk waardeer, is de bescheidenheid van het album. Tegenwoordig worden debuutplaten soms overladen met verwachtingen. Three Imaginary Boys voelt veel spontaner. Het klinkt niet alsof de groep koste wat kost geschiedenis wil schrijven. De muziek lijkt vooral voort te komen uit enthousiasme en nieuwsgierigheid.
Dat enthousiasme werkt aanstekelijk. Zelfs wanneer een nummer niet volledig overtuigt, blijft het prettig om naar te luisteren. De band straalt plezier uit zonder overdreven vrolijk te worden. Er zit een soort droge Engelse nuchterheid in de muziek die goed past bij het karakter van de plaat.
Vanuit historisch perspectief is het album bovendien interessant. Je hoort een momentopname van een band die nog niet weet welke invloed zij later zal krijgen. Dat geeft de muziek iets ontwapenends. Niemand in de studio kon toen vermoeden dat The Cure zou uitgroeien tot een van de belangrijkste alternatieve bands van de volgende decennia.
Toch moet ik eerlijk zeggen dat ik begrijp waarom veel luisteraars de latere albums hoger waarderen. Op die platen wist The Cure beter hoe sfeer, melodie en emotie gecombineerd konden worden. Vergeleken met meesterwerken als Disintegration of The Head on the Door klinkt Three Imaginary Boys soms wat eenvoudig.
Maar dat hoeft geen probleem te zijn. Niet iedere plaat hoeft een meesterwerk te zijn om waardevol te blijven. Soms is het juist interessant om het beginpunt te horen. De eerste stap van een lange reis kan net zo fascinerend zijn als de uiteindelijke bestemming.
Ruim veertig jaar na de oorspronkelijke release klinkt Three Imaginary Boys nog steeds verrassend fris. Misschien omdat de muziek weinig modieuze trucs gebruikt. Misschien omdat de energie van jonge muzikanten tijdloos blijkt te zijn. Of misschien omdat de plaat simpelweg een eerlijk beeld geeft van een groep die zichzelf nog aan het ontdekken is.
Uiteindelijk zie ik Three Imaginary Boys als een sympathiek debuut dat meer charme dan perfectie bezit. Het is niet het sterkste album uit de rijke carrière van The Cure, maar wel een album dat laat horen waar alles begon. De grote ideeën zijn nog niet volledig uitgewerkt, de beroemde melancholie is nog maar sporadisch aanwezig en de band zoekt nog naar haar definitieve vorm.
Juist daardoor blijft deze plaat boeiend. Het is het geluid van een deur die opengaat naar een indrukwekkende toekomst. Niet spectaculair, niet foutloos, maar wel oprecht, energiek en vol mogelijkheden. En soms is dat precies genoeg om een album blijvend interessant te maken.
WAARDERING: 6,5