Spoon

Ik vind Spoon een van die bands die bewijzen dat je niet per se de luidste, wildste of meest spectaculaire groep hoeft te zijn om jarenlang interessant te blijven. De Amerikaanse formatie uit Austin, Texas, draait al sinds 1993 mee en heeft in al die jaren een heel eigen geluid ontwikkeld. Niet door steeds groter uit te pakken, maar juist door goed te luisteren naar wat een nummer nodig heeft.

Spoon: klein beginnen en gewoon doorgaan

Spoon begint rond 1993 met zanger en gitarist Britt Daniel en drummer Jim Eno. De twee kennen elkaar uit een eerdere band en besluiten samen opnieuw te beginnen. De naam Spoon is een knipoog naar het Duitse experimentele gezelschap Can, dat in 1972 zelf een nummer met die naam uitbracht.

Dat vind ik eigenlijk meteen wel passend. Spoon klinkt namelijk nooit als een band die toevallig een paar gitaren bij elkaar heeft gezet. Er zit vanaf het begin iets eigens in de muziek. De nummers zijn vaak kort, hoekig en ritmisch, maar tegelijk opvallend melodieus. Je hoort invloeden uit rock, postpunk, garagerock en pop, zonder dat Spoon zich volledig aan één van die stijlen overgeeft.

Het aardige is dat Britt Daniel ooit niet eens begon met het grote rock-'n-rollplan. Zijn eerste ambitie met Spoon was volgens hem vooral simpel: genoeg optredens regelen om in het weekend te kunnen spelen. Dat is misschien wel de beste manier om een band te beginnen. Niet meteen dromen van stadions, maar eerst zorgen dat iemand in een klein zaaltje naar je wil luisteren.

Van garage naar een serieus eigen geluid

Het eerste album, Telephono, verschijnt in 1996. De plaat wordt opgenomen in een garage en kost volgens AllMusic ongeveer 3.000 dollar. Dat klinkt bijna als een romantisch indie-rockverhaal: een paar muzikanten, een garage, weinig geld en vooral veel zin om muziek te maken.

Daarna gaat het even behoorlijk mis. Spoon tekent bij het grote label Elektra en brengt in 1998 A Series of Sneaks uit. Het succes blijft echter uit en nog datzelfde jaar wordt de band alweer aan de kant gezet. Voor een jonge groep moet zoiets behoorlijk frustrerend zijn. Je krijgt eindelijk een groot platencontract en vervolgens wordt de deur vrijwel meteen weer dichtgegooid.

Spoon reageert daar niet bepaald treurig op. Er verschijnt zelfs een geestige single met de veelzeggende titel The Agony of Laffitte, gericht tegen de platenbaas die bij Elektra verantwoordelijk was voor de band. Ik moet daar wel om lachen. In plaats van eindeloos te klagen, maakt Spoon er gewoon een liedje van. Dat past bij de groep: nuchter, een tikje eigenwijs en met gevoel voor humor.

De kracht van eenvoud

Vanaf het begin van de jaren 2000 krijgt Spoon meer ruimte om zijn eigen koers te varen. De band tekent bij het onafhankelijke Merge Records en maakt achter elkaar een aantal sterke albums. Girls Can Tell uit 2001 zorgt voor een duidelijke opleving en Kill the Moonlight uit 2002 wordt een echte doorbraak binnen de indiewereld.

Voor mij zit daar de grote charme van Spoon. De muziek lijkt op het eerste gehoor soms eenvoudig. Een gitaarloopje, een droge drumbeat, een baspartij en de wat nonchalante stem van Daniel. Klaar. Maar hoe vaker ik luister, hoe meer ik ontdek.

Spoon heeft namelijk een uitstekend gevoel voor ruimte. Niet iedere seconde hoeft gevuld te worden. Een klein geluidje kan net zo belangrijk zijn als een grote gitaar. Een drumslag kan ineens een nummer een andere richting op sturen. En als een refrein dreigt te groot te worden, lijkt Spoon soms bewust even op de rem te trappen.

Dat is ook een van de redenen waarom de groep nooit echt gedateerd klinkt. De muziek is duidelijk geworteld in de alternatieve rock van de jaren negentig en nul, maar blijft fris doordat Spoon niet overdreven veel opsmuk gebruikt.

Een band die niet stil blijft staan

Met Gimme Fiction uit 2005 en vooral Ga Ga Ga Ga Ga uit 2007 groeit Spoon verder. Dat laatste album wordt een groot succes en bereikt de tiende plaats in de Amerikaanse albumlijst. Nummers als The Underdog laten horen dat Spoon best toegankelijk kan klinken zonder zijn eigen karakter kwijt te raken.

En dan is er The Way We Get By, een nummer dat via films en televisieseries een veel groter publiek bereikt. Het is zo'n liedje waarvan ik me goed kan voorstellen dat iemand het jaren later ineens hoort en denkt: hé, dat ken ik!

Toch wordt Spoon nooit een typische stadionband. Dat vind ik juist sympathiek. Zelfs wanneer het succes groter wordt, blijft de groep vooral een band voor mensen die graag goed naar muziek luisteren.

Britt Daniel is bovendien geen zanger die voortdurend op de voorgrond hoeft te staan. Zijn stem heeft iets droog en zelfverzekerds. Hij klinkt vaak alsof hij je een verhaal vertelt terwijl hij ondertussen een beetje met zijn schouders ophaalt. Geen overdreven drama, geen grote rockpose. Gewoon: luister maar.

Jim Eno en de andere helft van het verhaal

Ook drummer Jim Eno is een bijzonder figuur. Hij studeerde elektrotechniek en werkte jarenlang in de techniek voordat hij uiteindelijk volledig voor de muziek koos. Zijn eigen studio in Austin, Public Hi-Fi, werd bovendien belangrijk voor Spoon en voor andere muzikanten.

Ik vind dat een mooi detail. Spoon is daardoor bijna het muzikale equivalent van iemand die overdag een keurig technisch beroep heeft en 's avonds een gitaar pakt om iets totaal anders te doen. Uiteindelijk blijkt dat beide werelden misschien minder ver uit elkaar liggen dan je denkt. In de muziek van Spoon zit namelijk veel aandacht voor techniek, ritme en detail.

Mijn conclusie

Wat mij vooral aanspreekt aan Spoon is de combinatie van eenvoud en slimheid. De groep probeert mij niet voortdurend te imponeren. Ze proberen vooral goede nummers te maken. Soms hoekig, soms dansbaar, soms bijna poppy en soms een beetje vreemd.

Na ruim dertig jaar is Spoon bovendien nog steeds actief. Dat vind ik misschien wel de grootste prestatie. Niet omdat de band altijd hetzelfde klinkt, maar juist omdat hij zijn eigen identiteit weet te bewaren terwijl de muziek blijft veranderen. Een Spoon-plaat kan daardoor vertrouwd voelen en toch nieuwe verrassingen bevatten.

Als ik Spoon in één zin zou moeten omschrijven, zou ik zeggen: een band die liever een goed idee drie minuten lang uitwerkt dan een middelmatig idee zes minuten lang uitsmeert.

En misschien is dat uiteindelijk het geheim. Spoon heeft nooit geprobeerd de grootste band ter wereld te worden. De groep wilde vooral een goede band zijn. Dat klinkt bescheiden, maar na meer dan dertig jaar blijkt dat eigenlijk een behoorlijk ambitieuze doelstelling.